Afvalzorg heeft besloten de aanvraag voor de milieuvergunning (MBA) voor de ophoging van stortlocatie Zeeasterweg in Lelystad tijdelijk in te trekken. Reden hiervoor is dat Afvalzorg eerder duidelijkheid wil krijgen over het standpunt van de gemeente Lelystad over de BOPA-aanvraag en bijbehorende ruimtelijke onderbouwing. Die snellere duidelijkheid is belangrijk omdat de beschikbare stortcapaciteit voor afvalstromen die niet kunnen worden hergebruikt of gerecycled, in de regio steeds verder onder druk komt te staan.
Waarom trekt Afvalzorg de milieuvergunning-aanvraag in?
Afvalzorg heeft na een uitgebreid participatietraject eind 2025 twee vergunningaanvragen ingediend voor ophoging van stortlocatie Zeeasterweg. Een milieuvergunning (MBA) voor extra stortcapaciteit en een aanvraag voor een zogenaamde buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) voor de ophoging van de locatie. De provincie is voor beide aanvragen vergunningverlener, maar de gemeente Lelystad heeft een bindend adviesrecht voor de BOPA. De omgevingsdienst heeft dit voorjaar besloten de twee aanvragen gecombineerd te behandelen. Daardoor zou een besluit over de BOPA naar verwachting pas in 2028 worden genomen. Door de MBA voorlopig in te trekken, kan de BOPA-procedure zelfstandig verdergaan. Op deze manier ontstaat eerder duidelijkheid over het standpunt van de gemeente met de onderliggende motivering. Na afronding van de BOPA-procedure zal Afvalzorg de milieuvergunning, inclusief het vrijwillige milieueffectrapport (MER), opnieuw indienen zodat beide procedures worden doorlopen zoals gepland.
MER onderzoek blijft belangrijke basis
Bij de milieuvergunning-aanvraag heeft Afvalzorg vrijwillig een milieueffectrapport (MER) laten opstellen door een extern bureau. Afvalzorg vindt het belangrijk om de eventuele milieueffecten van de ophoging voor de omgeving zorgvuldig in beeld te brengen. Het MER wordt door de omgevingsdienst (OFGV) ter advies voorgelegd aan de landelijke commissie MER. Het intrekken van de MBA-aanvraag betekent niet dat milieuonderzoeken komen te vervallen. De onderzoeken die zijn uitgevoerd voor het vrijwillige milieueffectrapport, blijven onderdeel van de BOPA-aanvraag en vormen daarmee een belangrijke basis voor de verdere besluitvorming.
Maatschappelijke functie storten
Het Nederlandse afvalbeleid (CMP) ziet storten als een noodzakelijke nutsvoorziening waarvoor voldoende capaciteit beschikbaar moet blijven. Ook in een circulaire economie blijven er reststromen die niet recyclebaar zijn. Van lokale en regionale overheden wordt verwacht dat zij hieraan meewerken, tenzij dit vanwege lokale milieu-impact niet mogelijk is. Nederland telt nog 18 operationele stortlocaties, er mogen geen nieuwe locaties worden geopend en transprot over lange afstanden is vanuit milieuoogpunt onwenselijk. “Wij hebben als publieke organisatie de maatschappelijke verantwoordelijkheid om voldoende stortcapaciteit beschikbaar te houden voor afvalstromen waarvoor geen beter alternatief is. Die capaciteit staat in Flevoland en omgeving steeds verder onder druk. Daarom vinden wij het belangrijk dat er sneller duidelijkheid komt over de BOPA, inclusief de onderliggende motivering. Op basis daarvan kunnen wij bepalen welke vervolgstappen nodig zijn om ook in de toekomst voldoende stortcapaciteit beschikbaar te houden.”, aldus Eveline Otten, directeur Afvalzorg.